Abroad

In zee, twee jongens

Beschrijvings
de Volkskrant
de Morgen
Eindhovens Dagblad
Hotel Boekenlust
Zizo
Bol.nl

At Swim home ...
Reviews ...
Extracts ...
Gallery ...
Abroad ...
Resources ...

Jamie O’Neill home
At Swim, Two Boys
Kilbrack
Disturbance
Short Stories
Journalism
Press!

Contact
At Swim, Two Boys home ...
clear
In zee, twee jongens

uit het Engels vertaald door
Marianne Gossije

De Geus 2003
ISBN: 90 445 0198 4

“Het is een rijk, intens boek dat willens en wetens met twee benen in de Ierse literaire traditie staat.”
de Volkskrant

“Frisse wind door de Ierse latrine.”
Eindhovens Dagblad

“Een schitterende psychologische en historische roman.”
Boekhandel Willems, Lezen & Schrijven

“Dankzij de souplesse van O’Neills stijl, zijn humor, de speelse en subtiele manier waarop hij met taal en geschiedenis omgaat ... is zijn verhaal over twee jongens, hun vriendschap en hun vaders, niet pathetisch en niet sentimenteel, maar menselijk en ontroerend.” – Trouw

Dutch cover

Beschrijving

     ‘Hallo daar, vriend van mijn hart.’
     Jim knipperde met zijn ogen. Het was Doyler. Sjofel pak en zijn pet schuin. Tanden blinkend in het halfduister.
     ‘Hé, zeg’, zei Jim en voelde zich meteen met de mond vol tanden zitten.
     ‘Zeg wat?’ zei Doyler, die op de muur achter Jim klom en hem een klap op zijn schouder gaf. Hij had een bos bloemen bij zich die hij heen en weer zwaaide. ‘Wat een gein, hè?’
     ‘Tulpen?’ zei Jim.
     ‘Zijn ze niet prachtig? Morgenochtend zijn ze in elk geval prachtig. Ze zijn voor ma. Er staan er bij bossen in de tuinen hierachter.’
     ‘Heb je ze gestolen?’
     ‘Gestolen, m’n reet. Herverdeling heet dat.’

Het lezen van dit boek is als zwemmen. Je moet eerst diep ademhalen, daarna duik je in een vreemde wereld. Maar als je eenmaal op gang bent gekomen, legt de roman je het rustige, verheven ritme van een verhevigde realiteit op. In zee, twee jongens is een roman waarin de rijkdom van menselijke gevoelens tastbaar is: het is een liefdesgeschiedenis en tegelijk een onsentimenteel verhaal over politiek en vaderlandsliefde. Het boek heeft een zachtheid die je maar weinig tegenkomt in de moderne literatuur.

Twee zestienjarige jongens sluiten een bondgenootschap: de robuuste Doyler Doyle zal de timide Jim Mack inwijden in de zwemkunst en samen zullen ze over een jaar met Pasen naar een eilandje in de baai van Dublin zwemmen. Ze zullen het eilandje voor Ierland innemen door er een groene vlag te planten. Dit stoutmoedige avontuur bezegelt tevens hun intieme relatie.

Jamie O’Neill (lerland, 1961) schreef zijn magistrale roman In zee, twee jongens gedurende de tien jaar dat hij als nachtportier in een Londens ziekenhuis werkte. Het succes van de roman stelde hem in staat terug te keren naar Ierland. Hij woont nu in Galway.

top

de Volkskrant

23 Jan 2003
Onderdrukte homoseksuelen
Ierse schrijver Jamie O’Neill bereikt wat Yeats ‘terrible beauty’ noemde

Een rustig nachtbaantje, bij voorkeur als portier/bewaker, is de ideale werkomgeving voor menige schrijver. Van William Faulkner tot Ronald Giphart kunnen ze erover meepraten. Ook de Ierse auteur Jamie O’Neill behoort tot het gilde der schrijvende nachtwakers. Hij werkte tien jaar lang aan zijn lijvige roman In zee, twee jongens (At Swim, Two Boys), terwijl hij nachtportier was in een Londens ziekenhuis.

Die tien jaren van ongestoorde nachtelijke arbeid zijn aan het boek af te lezen. Het is een rijk, intens boek dat willens en wetens met twee benen in de Ierse literaire traditie staat.

Alleen de titel al. Die is een overduidelijke verwijzing naar Flann O’Briens grote roman At Swim-Two-Birds, al verwijst de titel van dat laatste boek niet in de eerste plaats naar een activiteit, maar naar het eilandje Swim-Two-Birds, gelegen in de Shannon in het hart van Ierland.

Vervolgens is het vrijwel onmogelijk om niet aan James Joyce te denken wanneer we op de eerste bladzijden van het boek kennismaken met de kruidenier Mr. Mack, die als een Leopold Bloom door de straten van Dublin zwerft. Nog duidelijker wordt de Joyciaanse associatie wanneer Macks 16-jarige zoon Jim en diens vriend Doyler in beeld komen. Doyler leert Jim zwemmen bij de befaamde Forty Foot Gentlemen’s Bathing Place in Sandycove, vlak bij de Martello Tower uit de beginscène van Ulysses, waar ook Buck Mulligan het water in gaat.

Uit de zwemlessen en de groeiende vriendschap tussen Jim en Doyler, die gaandeweg een steeds erotischer lading krijgt, ontstaat het plan om op een dag naar de rots de Muglins te zwemmen en daar de groene Ierse vlag te plaatsen. Want we schrijven 1915, en het boek speelt zich af gedurende de twaalf maanden voorafgaand aan de Paasopstand van 1916, waarbij een groep Ierse nationalisten het opnam tegen de Engelsen. Een opstand die uiteindelijk zou culmineren in een bloedige last stand in het hoofdpostkantoor van Dublin, waar tot de dag van vandaag de kogelgaten zichtbaar zijn.

Niet toevallig heeft ook de geplande zwempartij van Jim en Doyler plaats tijdens Pasen 1916, en vrijen de jongens voor het eerst met elkaar nadat ze op de Muglins (hun eigen Swim-Two-Birds) hun vrijheidsvlag hebben geplant.

O’Neill trekt duidelijke parallellen tussen de onderdrukking van de Ieren en homoseksuelen. Een voor de hand liggende literaire sleutelfiguur in dezen is natuurlijk Oscar Wilde, en ook die maakt in dit boek zijn opwachting. Zijn rol wordt vertolkt door Anthony MacMurrough, een arrogante upper class-figuur die zojuist twee jaar in de Engelse Wandsworth-gevangenis heeft doorgebracht wegens homoseksuele handelingen. Zijn tante, die hem onderhoudt, weet dit af te doen als een typisch Engelse achterbakse truc om een Ierse patriot een hak te zetten.

De hoofdlijnen van de roman spelen zich af rond Jim Mack, Doyler Doyle en Anthony MacMurrough. Jim is een serieuze jongeman, religieus, student, middle class – lezers die bij hem soms aan Stephen Dedalus moeten denken, verdienen begrip.

Doyler komt uit een totaal ander milieu. Zijn vader en die van Jim waren vrienden toen ze samen in het Britse leger in India dienden, maar raakten later gebrouilleerd, en tegenwoordig is vader Doyle aan de drank en aan lager wal. Doyler, mank, werkt als ‘hulpje van de tonnenman’; prozaïscher gezegd: hij haalt stront op.

MacMurrough is aanvankelijk een cynicus die gebruik maakt van de diensten van jongenshoeren en ook in Doyler een seksslaafje ziet. Maar gaandeweg ontpopt hij zich als een mentor figuur. Hij helpt Jim en Doyler zich bewust te worden van de waarde van hun wederzijdse gevoelens, en offert zijn eigen gevoelens hieraan op als een vorm van boetedoening. Uiteindelijk zal hij zelf het slachtoffer worden van zijn opofferingen.

In ruim vijfhonderd bladzijden schetst O’Neill het turbulente jaar dat leidt naar een van de meest bediscussieerde gebeurtenissen uit de Ierse geschiedenis: de Paasopstand. Ook de Ieren zelf hebben altijd op zijn minst ambivalente gevoelens gehad ten opzichte van deze militante actie, die de Ierse zaak volgens menigeen meer kwaad dan goed heeft gedaan. Maar voor O’ Neill is het een noodzakelijk tragisch dieptepunt dat de latere Ierse onafhankelijkheid mogelijk heeft gemaakt.

Aan het slot van het boek beschrijft O’Neill, met een knipoog naar Yeats’ gedicht ‘The Lake Isle of Innisfree’ – hoe MacMurrough fantaseert over het bouwen van een huis op een eiland: ‘Op een dag zou er zeker een einde komen aan de oorlogen en zou Jim naar huis komen, al was het maar om gebroken in MacMurroughs armen te liggen, hij zou naar zijn eilandhuis komen. En MacMurrough zou het voor hem gebouwd hebben, steen voor steen, nat van de regen en de woeste zee. In het levende water zouden ze een seizoen lang zwemmen. Want het was dan misschien waar dat niemand een eiland is, maar hij was ervan overtuigd dat twee dat heel goed konden zijn.’

O’Neill laat zijn personages zowel het Ierse drama als de Ierse victorie belichamen. Nadat aanvankelijk de literaire toespelingen dreigen te overheersen, ontwikkelt zijn boek zich tot een overtuigende synthese van taalspel, geschiedschrijving, sociaal-politiek commentaar en avonturenroman. Vooral in de tweede helft van het boek volgen de gebeurtenissen elkaar snel op, om te eindigen in wat Yeats ‘terrible beauty’ noemde, de perfecte ambivalente omschrijving.

Een dikwijls gehoorde klacht van Ierse schrijvers is dat zij moeten werken in de loodzware schaduw van de literatuur en geschiedenis van het land. En inderdaad: als je literatuur zou kunnen meten, zou mogelijk blijken dat Ierland het hoogste literaire soortelijk gewicht ter wereld heeft.

Jamie O’Neill bewijst dat grote talenten dit gegeven ook naar hun hand kunnen zetten. Het is als zwemmen van Forty Foot naar de Mug lins: je kunt de zee en haar stromingen niet negeren, maar als je alert en bedreven bent wel je momenten kiezen, om zo toch uit te komen waar je wilt.

Hans Bouman

top

De Morgen

15 Januari 2003
Jamie O’Neill over ‘In zee, twee jongens’
‘Ik verafschuw tolerantie’

Jamie O’Neill verweeft in zijn roman In zee, twee jongens de geschiedenis van de Ierse onafhankelijkheid met het verhaal van een ontluikende liefde tussen twee jongemannen. ‘Toen ik nog in Londen woonde werd me weleens gevraagd of ik Iers was, omdat ik een uitgesproken accent heb, en dan antwoordde ik: nee, ik ben homoseksueel.’

Wie rond deze tijd van het jaar aan de rand van Dublin op zoek gaat naar de befaamde Martello-toren, waar James Joyce ooit nog woonde en hij zijn Ulysses laat aanvangen, zal tot zijn ontsteltenis van de ene verrassing in de andere vallen. Nog niet goed bekomen van het bordje waarop staat dat de toren tijdens de winter gesloten is – en dat hij een reis voor de bisschop heeft gemaakt – zal hij een aantal oudere mannen tussen de rotsen zien dobberen. Vlak naast de Martello ligt immers een al even beroemde bezienswaardigheid: de Forty Foot, een louter voor mannen bestemde badplaats met traditie.

In Jamie O’Neills roman In zee, twee jongens staat de Forty Foot centraal. Het is de plaats waar de twee hoofdpersonages van het boek, Jim en Doyler dagelijks gaan zwemmen. In de verte zien ze de Muglins liggen, een laag boven het water uitstekende rots die er nog het meest uitziet als een kolossale hoop meeuwenstront. Als ze goed genoeg kunnen zwemmen, zo beloven ze elkaar, zullen ze samen naar het eiland peddelen en er de Ierse vlag planten. De datum daarvoor, zo spreken ze af, zal Pasen 1916 zijn, de dag voor in Dublin de onafhankelijkheidsstrijd losbarst, maar dat weten ze natuurlijk niet.

Jim is de zoon van een winkelier met Engelse sympathieën. Hij lijkt in de wieg gelegd om door de priesters ingepalmd te worden en in het seminarie te belanden. Doyler is een straatschoffie, verstandig, maar door de armoede van thuis uit veroordeeld tot het legen van aalputten. Ook al weet Jim, in tegenstelling tot Doyler, niet wat hem overkomt, tussen deze jongens ontluikt de liefde, en wanneer ook nog eens de hoog-burgerlijke Anthony MacMurrough op het toneel verschijnt krijgt deze liefde een politiek tintje. De bevrijding van de seksen blijkt bij Jamie O’Neill hand in hand te gaan met de bevrijding van het vaderland.

Wat In zee, twee jongens zo’n bijzonder boek maakt, is niet alleen de originele invalshoek van waaruit O’Neill de Ierse onafhankelijheidsstrijd beschrijft, maar ook de manier waarop hij dat doet. Het boek zit tjokvol verwijzingen naar de wereldgeschiedenis en -literatuur en de Ierse in het bijzonder. Neem nu de titel, At Swim, Two Boys, dat is een variant op At Swim – Two Birds, het klassieke humoristische werk van Flann O’Brien. Op het einde van het boek worden Jim en MacMurrough door de Engelsen weggevoerd in gevangenschap. Een van de toeschouwers langs de straat heft zijn hoed op en groet hen vol respect. Dat is precies wat er met Oscar Wilde gebeurde toen hij na zijn veroordeling het gerechtshof verliet. Of een andere leuke: op het einde van het eerste deel van de roman wordt er een groot tuinfeest gegeven. Alle helden van weleer worden er als vrouwen geïntroduceerd, zoals Miss Butler en Miss Emmet. En dat alleen om aan te tonen dat er geen vrouwen voorkomen in de Ierse geschiedenis van voor 1916 en dat die heel vreemde trekken aanneemt wanneer je ze er toch aan toevoegt.

Beginnen doet In zee, twee jongens met een hoofdstuk dat overduidelijk naar Joyce verwijst, de man die het literaire samplen zowat uitgevonden heeft en die bij het schrijven van dit boek nooit ver weg is geweest. Het hoeft dan ook niet te verwonderen dat O’Neill nog voor zijn boek op de markt was al de nieuwe Joyce werd genoemd. Jamie O’Neill: “Toen mijn moeder die vergelijking hoorde was ze diep geshockeerd. Ze had al via de krant moeten vernemen dat ik een nicht was, en nu werd ik ook nog eens vergeleken met Joyce Grenfell, zo dacht ze, de Engelse comédienne uit de jaren vijftig. Wist zij veel dat er ook een schrijver was die Joyce heette. Die vergelijking was een stunt van mijn agent. Die wordt verondersteld om zulke slogans te bedenken, maar het bleek eerder een vloek dan een zegen. Op die manier verleid je mensen tot het maken van vergelijkingen en die kunnen in dit geval natuurlijk alleen maar slecht aflopen. Ulysses was het beste boek van de twintigste eeuw. Natuurlijk is het mijne slechter. Als Iers schrijver voel je altijd de adem van Joyce in je nek, en daar kun je twee zaken mee doen. Je kunt hem volstrekt negeren, zoals John McGahern en Colm Toibin doen, of je kunt op hem inspelen en hem integreren in je boeken. Persoonlijk ben ik voor het tweede. Bovendien groeide ik op in Dùn Laoghaire, op een boogscheut van de Forty Foot. Toen ik als jongen spijbelde ging ik er altijd naartoe. Het is een prachtige plaats. In de winter voel je er alleen de wind of zie je geen steek door de mist. Maar op een zomerdag is het echt een lieflijk plaatsje. Het is een plekje waar je niet precies weet waar de zee begint en waar het land eindigt. De mens en de natuur ontmoeten elkaar daar, net zoals het water en het land.”

Het lijkt wel alsof u de homoseksualiteit in de Ierse geschiedenis wou introduceren.

“Ik weet niet of dat echt mijn bedoeling was. Ik woonde in Londen toen ik het boek schreef en telkens als ik naar huis ging, naar Dublin, bleek dat de tijd er niet had stilgestaan. Mijn vrienden van weleer zaten niet meer in de pubs van weleer. Alles was veranderd en dat zorgde ervoor dat ik me meer aangetrokken voelde door hetgeen hetzelfde gebleven was: de geschiedenis. Op St Stephen’s Green zie je nog steeds de kogelgaten in de gevel van het College of Surgeons. De ziel van mijn land ligt in 1916, toen de republiek werd uitgeroepen. Toen ik nog in Londen woonde werd me weleens gevraagd of ik Iers was, omdat ik een uitgesproken accent heb, en soms antwoordde ik dan: nee, ik ben homoseksueel. Ik wou een boek schrijven dat die vraag opnieuw zou stellen en dat als antwoord zou geven: ja, ik ben een Ier, en hier heb je een kilo papier om het te bewijzen. Het boek gaat immers over twee jongens die hun land ontdekken in elkaar. En ze houden ook van dat land. Ze willen ervoor vechten. Het is dus niet helemaal het introduceren van homoseksualiteit in de Ierse geschiedenis. De leiders van de opstand, Roger Casement en Patrick Pearse, waren homo, dus het zat er al van bij de aanvang in. Het rare is dat Pearse het niet wist van zichzelf. Zijn poëzie gaat alleen maar over mooie jongemannen en zijn liefde ervoor, maar hij heeft wellicht nooit een homoseksuele relatie gehad.”

Houdt uw fascinatie voor taal en de manier waarop u een bepaald idioom introduceert toch geen verband met de introductie van iets nieuws in de Ierse geschiedenisopvatting?

“Je hebt inderdaad een bepaalde taal nodig om over deze periode te kunnen praten. Voor Ierland was het Gaelic van kapitaal belang, als geheugensteuntje, dat er ooit onafhankelijkheid was geweest, en als wegwijzer naar een nieuwe toekomst. Gaelic spreken was een manier om zich te identificeren. In zekere zin zijn Jim en Doyler ook op zoek naar woorden om hun gevoelens voor elkaar te beschrijven.”

U had uw boodschap dus niet in een hedendaagse roman kwijt gekund?

“Wellicht niet. Er zijn veel redenen waarom het boek in 1916 speelt, ook omdat ik enorm hou van de oude romantische zwartwitfoto’s die er uit de tijd van de revolutie bestaan. Maar toch is het vooral om de taal dat ik die periode gekozen heb. In E.M. Forsters Room with a View staat er een passage waarin een man in het bijzijn van een vrouw het woord ‘maag’ gebruikt, waarop de vrouw gewoon flauwvalt. Wat toen gezegd kon worden, is zo verschillend van vandaag. En dat interesseert me, hoe een taal door de tijd heen verandert.”

De priester die Jims zonde niet begrijpt, namelijk dat hij zich heeft laten verleiden door een Engelse soldaat en er maar aan vasthoudt dat de schuldige een vrouw geweest moet zijn voor wie de soldaat tussenpersoon was, stond dus niet alleen in zijn naïviteit?

“Om echt effectief te zijn moet een verbod ook een zekere mate van openheid toelaten. In 1916 was die er helemaal niet. Ook al was zowat alles verboden, mensen konden het rustig doen zonder te weten dat het verboden was. In Ierland was dat trouwens tot in de jaren zestig zo. Een zestienjarige jongen zou vandaag precies weten hoe hij het gevoel dat hij heeft voor een andere jongen moet beschrijven. Hij zou er al over gehoord hebben op de tv, of over gelezen in de krant. En ook al zou er dan negatief over bericht worden, toch zou hij weten wat het was. In 1916 kon er alleen in het Latijn over homoseksualiteit gesproken worden en dan nog heel omfloerst, als ‘een misdaad zo vreselijk dat er niet over gesproken kan worden’.”

Maar was het dan niet geweten dat Roger Casement homo was?

“Toen de Britten Casement gevangen namen kregen ze ook zijn dagboeken te pakken. Toen die later vrijgegeven werden, was de algemene teneur in Ierland dat het Engelse vervalsingen waren die Casement wilden degraderen tot een homoseksueel. Pas vorig jaar werd onomstotelijk bewezen dat de dagboeken echt zijn. Al degenen die vroeger stelden dat die vermeende homoseksualiteit een poging was om Casement zwart te maken, zeggen nu dat zijn seksuele voorkeur er eigenlijk niet toe deed, dat hij desondanks toch een humanist en een hoogstaand persoon was. Mijn reactie daarop is dat dit een mooi voorbeeldje is van de boel omdraaien. Casement was juist een fervent humanist omdat hij homoseksueel was, omdat hij er zich van bewust was wat het betekent een outsider te zijn in de eigen maatschappij. En het is ook zo bezitterig van die mensen. Zij willen per se Casement opeisen voor hun zaak. Er zijn zoveel helden op de wereld, waarom zou een jonge Ierse homo niet mogen opkijken naar Casement net omdat hij een homo was? Naar wie moet hij anders opkijken? De winnaar van Big Brother?”

En Oscar Wilde dan. Er wordt nogal wat over hem afgepraat in uw boek. Van hem was toch wel geweten waarom hij veroordeeld was?

“Dat is nu zo interessant aan die periode. Wij zien Wilde graag als een martelaar, maar ik hou het liever op wat André Gide zei: ‘Alweer een nieuw slachtoffer, maar nooit een martelaar.’ Wilde gaf de homoseksualiteit een menselijk gezicht, net in een tijd dat die gezien werd als een zonde, een misdaad of een medische afwijking. Opeens waren er woorden om over de mannenliefde te spreken, en met die woorden kwam de dialoog, en met de dialoog het begrip. Wilde gaf dus het startschot voor een aanvaardingsproces van de homoseksualiteit dat de volledige twintigste eeuw in beslag heeft genomen. Hij was dus van het grootste belang. Maar er zijn andere overeenkomsten met 1916. Wilde werd zo gedenigreerd dat het onmogelijk leek dat hij ooit nog uit de beerput van de geschiedenis zou kunnen ontsnappen. En toch is hij nu die verbazingwekkende Ierse schrijver wiens portret iedere Dublinse pubeigenaar in zijn zaak wil hebben hangen. Hetzelfde gebeurde met de Paasopstand van 1916. Na een week schoten de Engelsen die aan flarden. Het bleek een absolute mislukking te zijn, waar men liever niet meer over sprak omdat men niet verwachtte dat er iets positiefs uit kon voortkomen. En nu zien we dat dit het begin van ons land was. Er worden boeken over geschreven en films over gemaakt. Als toerist kun je zelfs een 1916-wandeling door Dublin maken. En dat dit nu allemaal net op Pasen moest gebeuren, het moment dat Christus oprees. Voor een homoseksuele Ier heeft Oscar Wilde veel weg van Jezus Christus.”

Is het niet moeilijk om tegelijk Ier en homo te zijn?

“Integendeel. Zelfs toen ik tijdens de jaren zestig opgroeide was dat geen probleem. Wat daarentegen aartsmoeilijk was, was een andere homo ontmoeten. Mijn vrienden waren hetero, maar ze namen me wel mee naar een homobar, wat in die tijd betekende dat er roze behang aan de muur hing en er een acteur optrad. Londen lag zo dichtbij, dus ging je als homo praktisch automatisch naar die stad. Vandaag is de situatie veel veranderd. In Ierland rust de zware last van de tolerantie niet op mijn schouders. In Engeland word je altijd getolereerd, en als er nu iets is wat ik mijn hele leven al verafschuw, zal het wel tolerantie zijn. Men denkt nogal eens dat tolerantie het tegengestelde is van intolerantie. Dat is niet zo. In feite zou het een neutrale houding moeten zijn, geen positieve of actieve. Wanneer je opgroeit wil je bijvoorbeeld helemaal niet getolereerd worden, maar wel aangemoedigd. In Ierland word je niet getolereerd als homoseksueel, maar je wordt natuurlijk wel beschermd tegen homohaat. We hebben een heel liberale wetgeving en antihomogeschriften zijn absoluut verboden, wat heel wat priesters tot wanhoop leidde trouwens. Opeens moesten ze hun zondagse preek veranderen. Maar dat neemt niet weg dat het voor de meeste Ieren niet uitmaakt of je homo of hetero bent. Ik woon nu met mijn vriend in Knocknacarra, in Galway. De derde dag dat we er woonden klopte de postbode aan met een pakje. ‘O’Neill’, zei hij, ‘dat is geen naam uit Galway.’ Dan ziet hij mijn vriend van de trap komen en voegt hij eraan toe: ‘En dat zal uw broer wel niet zijn zeker?’ Toen kreeg ik het een beetje op mijn heupen en antwoordde ik nogal kortaf: kijk, dat is mijn Franse vriend Julien. Wij zijn hier net komen wonen met de opbrengst van een roman die ik heb geschreven over twee jongens die verliefd worden op elkaar tijdens de Paasopstand van 1916. De arme man was een beetje geschrokken, reikte me de hand en zei: ‘Wel, dat is nu net wat Knocknacarra nodig heeft.’”

En tegelijk wordt de ene na de andere priester wegens pedofilie aangeklaagd. Ook Jims religieuze mentor, broeder Polycarpus, is niet vies van wat mals jongensvlees zo blijkt.

“In Ierland leven we al een decennium lang met zulke schandalen. Vorig jaar was ik in Canada, Australië en de Verenigde Staten. Overal hoorde ik dezelfde verhalen. Laat dit nu net die landen zijn waar het katholicisme vooral door Ieren verspreid en gedragen is. Wellicht bevat de Ierse psyche een rare kronkel die seks als iets duisters, geheims en gewelddadigs ziet.”

Dat u die broeder pedofiel maakt, heeft niets afgedaan van het succes van het boek in Ierland neem ik aan?

“Dat weet je niet. Niemand heeft me openlijk gezegd dat hij mijn boek verafschuwde, maar dat gebeurt natuurlijk nooit. Het boek kreeg prachtige recensies en het behoort zeker tot de topvijf van wat er in 2001 verschenen is. Toch heeft het nooit op de shortlist van een prijs gestaan. Ik vroeg ooit aan een jurylid van zo’n prijs waarom niet en toen zei hij: ‘Het is een homoroman die zich als literatuur voordoet.’ Alsof een homoroman geen literatuur zou kunnen zijn.”

In A Star Called Henry beschrijft Roddy Doyle hoe de idealen van de Paasopstand meteen door een paar corrupte en conservatieve heerschappen de kop werden ingedrukt. Wat denkt u? Werd de revolutie verraden?

“Ierland snakte al jaren naar vrijheid en toen het die eindelijk kreeg bleek dat het land eigenlijk helemaal niet naar vrijheid verlangd had, maar naar zijn eigen vorm van conservatisme en onderdrukking. Het werd een heel gesloten en in zichzelf gekeerd land met slechts één exportproduct: mensen. En het zijn natuurlijk altijd de verstandigste en de meest originele mensen die het eerst het land verlaten. De boeren bleven, maar er zijn bij mijn weten maar weinig boer-dichters. Toch ben ik er trots op in een land geboren te zijn dat voor zijn vrijheid heeft moeten vechten. Vrijheid word je nooit zomaar in de schoot geworpen, dan is ze niets waard. Om even een parallel te trekken met mijn homoseksualiteit: ik hou er niet van dat een Iers parlement me komt vertellen dat ik niet langer gediscrimineerd zal worden. Ik wil mijn vrijheid zelf verwerven en als het even kan wil ik daar graag iemand voor neerschieten. Dat geeft die vrijheid iets waardevols.”

Hoe kon de opstand van 1916 nu lukken, het was toch gewoon een stelletje jonge dichters dat zichzelf opgeblazen had tot revolutionairen en met eenvoudige geweren het leger van het Britse rijk wou verslaan? Was het niet eerder een komedie dan een tragedie?

“De opstandelingen wisten inderdaad niet waar ze aan begonnen en hun idealen waren heel romantisch en literair. Yeats was op dat moment in Oxford en toen hij in de krant las dat al die dichters zich verschanst hadden in het postgebouw, sloeg hij zich voor het hoofd. Er werd geschiedenis geschreven, zo besefte hij, en hij was er niet bij. Bovendien waren zowat alle opstandelingen onder de twintig, wat in die tijd praktisch nog jongens waren. En in het College of Surgeons aten ze de hele week bijna niets anders dan taart. De middenklasse-leiders van de opstand hadden de opdracht gegeven om een voorraad van drie dagen aan te leggen. Degenen die dit moesten doen wisten niet wat gekozen en namen dus maar de lekkerste dingen.”

Hou je van het land of van zijn mensen?

“Mensen zijn overal hetzelfde. Ik hou van mijn land, maar niet onvoorwaardelijk. Ieder land maakt fouten, en dus ook Ierland. En het blijft maar dezelfde fouten maken. De verstedelijking neemt alsmaar toe en het materialisme is stilaan ontstellend geworden. Ook al blijft het natuurlijk een vrij conservatief land, in de praktijk kun je er alles doen wat je wilt, zolang je maar genoeg geld op zak hebt om een rondje te geven in de lokale pub. Als je dat echter niet kunt, ben je opeens niemand meer. Dat is een grote verandering. Geld staat tegenwoordig centraal in ieders leven. Ik herinner me nog hoe ik als achttienjarige met een vriend door Trinity College liep en hij om de paar minuten door bekenden werd aangeklampt. Veel vrienden hier, merkte ik verbaasd op. En hij antwoordde: ‘Dat zal jou ook nog wel overkomen wanneer je bij mensen in de schulden staat.’ Toen had iedereen bij iedereen schulden. Er was gewoon geen geld. En er was ook geen werk. Ik kende zelfs niemand die werk had. Op een of andere manier overleefden we, ook zonder sociale zekerheid, want op dat moment had Ierland praktisch geen werklozensteun. Dat is nu allemaal weg.”

Dat klinkt heel melancholisch en romantisch.

“Wat is het alternatief? Iemand zei me onlangs dat hij mijn boek heel idealistisch vond. En ik moest het toegeven, maar hoe zou ik anders kunnen schrijven? In wat voor een wereld zouden we leven zonder idealen of ideeën?”

Marnix Verplancke

top

Eindhovens Dagblad  /  Provinciale Zeeuwse Courant

23 Jan 2003
Frisse wind door de Ierse latrine

Jamie O’Neill bestrijdt dat hij in zijn debuutroman In zee, twee jongens de armoede van Ierland aan het begin van de vorige eeuw heeft willen romantiseren. Niettemin ademt zijn boek voor minstens een deel dezelfde mistroostige sfeer als ‘De as van mijn moeder’ van Frank McCourt, dat een stroom vertaalde ellendeliteratuur uit Ierland op gang heeft gebracht. Interessant aan ‘De as van mijn moeder’ noemt O’Neill dat de Ieren helemaal niet gesteld waren op dat boek, terwijl de rest van de wereld ermee wegliep. Niet de Ieren hebben een romantisch beeld van het vroegere Ierland, zegt hij, maar de rest van de wereld.

Waren whiskey, dronkemansliederen en literatuur de middelen waarmee de Ieren bij McCourt aan hun misère het hoofd boden, O’Neill laat de twee hoofdpersonages van zijn boek al zwemmend de alles doordrenkende latrinegeur van zich afspoelen. Terwijl Doyle aan Jim leert hoe dat moet, ontwikkelt zich tussen deze twee een vriendschap die allengs de vormen aanneemt van een homo-erotische verhouding.

De schrijver vertelt dat hij een boek heeft willen schrijven waarin de vaderlandsliefde van de twee jongens voortkomt uit hun liefde voor elkaar. Zijn roman werkt toe naar de roemruchte Paasopstand van 1916. Het sprak hem aan dat die volstrekt mislukte revolte tegen de Engelse bezetting uiteindelijk toch leidde tot de Ierse onafhankelijkheid.

O’Neill: “Triomf die geboren wordt uit een nederlaag, dat vind ik mooi. Zoals de dood van Christus leidde tot zijn wederopstanding met Pasen. En zoals Oscar Wilde eens werd beschimpt, terwijl zijn beeltenis nu in elke pub in Dublin hangt. Vrijheid waar je niet voor hoeft te vechten, ook die van mijn eigen seksuele geaardheid, stelt niets voor. Uiteindelijk is de Paasopstand een zegen voor Ierland geweest. Ik ben trots op mijn land omdat het zijn vrijheid heeft moeten veroveren.”

Tien jaar werkte O’Neill aan zijn lijvige boek. Niet dat hij daar trots op is. Was hij een betere schrijver geweest, dan had het waarschijnlijk korter geduurd. Hij schreef zijn debuut terwijl hij een baantje had als nachtportier in een psychiatrisch ziekenhuis in Londen. “Ideaal. Ik hoefde niets te doen. Eigenlijk ben ik betaald door de Engelse gezondheidszorg om mijn eerste roman te schrijven.”

Inmiddels woont hij weer in Ierland, in Galway, een stad waar je volgens hem niet over straat kunt lopen zonder over een schrijver of een andere kunstenaar te struikelen. “Laatst raakte ik er aan de praat met iemand die loodgieter bleek te zijn. Ik was stomverbaasd, want ik had in Galway nog nooit iemand ontmoet die iets nuttigs deed.”

Ieren, zegt O’Neill, houden ervan met de Engelse taal te stoeien, vooral omdat het niet hun eigen taal is. “Ze gaan er roekeloos mee om, zoals kinderen met speelgoed. In Engeland getuigt het van slechte manieren als je taalkundig maar wat aanrommelt, in Ierland doet iedereen dat voortdurend. Ze proberen woorden en klanken uit. Uit dat plezier met taal komt veel Ierse literatuur voort. Dat voel ik zelf heel sterk. Het grootste geluk voor mij was niet dat ik mijn boek had voltooid, maar als een zin die ik zojuist had geschreven nog nazong in mijn oor.”

Schrijver zijn in Ierland heeft ook zo zijn nadelen. O’Neill moest zien af te rekenen met grote namen. “Mijn boek begint waar ‘Ulysses’ ophoudt. Ik had voortdurend het gevoel dat James Joyce over mijn schouder meekeek.”

Belasting

Er mag dan veel geschreven worden, helemaal serieus genomen worden schrijvers in Ierland niet. “We betalen geen belasting. Dat is eerder een nadeel dan een voordeel. Als schrijvers zich mengen in het maatschappelijk debat, worden ze daar meteen mee om de oren geslagen.”

Ook economisch gezien is Ierland niet wat het lijkt volgens O’Neill. Doordat de EU er zoveel geld in heeft gepompt mag de armoede die hij in zijn boek beschrijft dan verdwenen zijn, doordat alles zo duur is geworden, is de situatie allerminst rooskleurig. “Niemand kan meer een huis betalen, terwijl ik vind dat het hebben van een huis tot de rechten van de mens behoort.”

“De grootste verandering in Ierland is echter dat mensen niet langer het voornaamste exportproduct zijn. Dat is goed, want het is verschrikkelijk als je op je twintigste huis en haard moet verlaten. Maar voldoende geld verdienen is in Ierland eigenlijk nog steeds een probleem. Het is een land van veel mogelijkheden, zolang je maar een rondje kunt betalen in de pub. Kun je dat niet, dan ben je een nobody. Vroeger waren wij een genereus en gastvrij volk. Het is een schande dat dat is veranderd.”

In zijn roman komen ook de standverschillen in het oude Ierland uitgebreid aan bod. Ook in dat opzicht is er tegenwoordig volgens O’Neill – lid van Labour – weinig nieuws onder de zon. “Het verschil tussen arm en rijk is zo groot dat mensen of geen pint kunnen betalen, of in staat zijn de hele kroeg te kopen.” Anders dan vroeger kunnen de Ieren de Engelsen niet langer de schuld geven van de situatie waarin zij verkeren. “Pas recentelijk moeten we ons realiseren dat de huidige wantoestanden onze eigen fout zijn.” Behalve die in Noord-Ierland dan. “Dat dit deel van ons land wordt bezet door Engelse soldaten, vinden wij een belediging. Of we zonder kunnen? Jazeker. Wij willen soldaten van de Verenigde Naties. Wij willen Nederlandse soldaten.” Lachend: “Die zijn trouwens ook veel knapper dan Engelse soldaten.”

Peter van Vlerken

top

Hotel Boekenlust

Jan 2003
Passionele roman over Ierland en twee jongens.

De ouwe Mack heeft een kruidenierszaakje op de hoek van Adelaide Street in Glasthule aan de Dublin Baai. Hij wil respect van zijn Ierse medeburgers, maar zijn verleden is bekend: ooit rende hij weg uit de Boerenoorlog. Toch wordt hij nog ‘Generaal Mack’ genoemd omdat hij sokken breit voor de jongens die in België en Frankrijk vechten op een slachtveld. Het is 1915 en terwijl de Eerste Wereldoorlog als een beest tekeergaat op het Europese vasteland, maakt Ierland zich klaar voor zijn eigen strijd tegen zijn Engelse heersers.

Jim, Mack’s zoon, betreedt de wereld der volwassenen. Hij hervindt een jeugdvriend, Doyler, die enige jaren uit Glasthule was verdwenen en die hem nu leert om in zee te zwemmen bij Forty Foot. Ze maken plannen om een jaar later met Pasen naar een eilandje te zwemmen om daar de Ierse groene vlag te planten. De dandy MacMurrough koopt de liefde van Doyler, een jongen die de rode hand draagt van een patriottische Ierse partij. Doyler is arm maar trots en heeft revolutionaire ideeën. En een goede vriend: Jim. Voor Jim is Doyler zijn Ierland waarvoor hij gaarne zal vechten.

MacMurrough is jaloers op deze vriendschap, maar beseft dat deze jongensliefde een zeldzame waarde heeft. Daarom neemt hij het op zich om de jongens bij elkaar te houden.

Maar de tijden worden ruiger. Niet alleen zijn bepaalde liefdes streng verboden, ook ondergrondse acties tegen de Engelsen steken meer en meer de kop op. MacMurrough’s tante Eva, een laatste trotse telg uit een rijk Iers geslacht probeert haar neef te rehabiliteren – in Engeland heeft hij 2 jaar gezeten voor een verkeerde liefde – en duwt hem onder de wapenen.

Als Pasen 1916 nadert zindert de zee van spanning. Twee jongens willen de golven trotseren om een eilandje te veroveren, maar de Ieren maken zich op om in opstand te komen.

Grootse roman over de liefde tussen twee jongens en de liefde voor een Ierland dat nog steeds verscheurd is. Jamie O’Neill groeide op in Dublin. Na de dood van zijn vriend – een bekende tv-presentator – trok hij zich terug als nachtportier in een Londens ziekenhuis waar hij er zo’n 10 jaar over deed om deze roman te schrijven.

Het boek gaat over een dubbele strijd: die voor een homoseksuele liefde en die voor een vrij Ierland. Homoseksuele liefde was zeker in die tijd zwaar verboden. MacMurrough had al 2 jaar achter de tralies gezeten in Engeland voor dit vergrijp, maar had in het gevang ook zijn grootste liefde leren kennen, Scrotes, tegen hij wie steeds blijft praten tot hij in de liefde verzeilt van Jim en Doyler. Zijn tante Eva haalde hem terug naar Ierland en hoopte dat niemand wat van zijn verleden wist. Als laatste uit een rijk Iers geslacht hoopte ze haar neef te kunnen laten trouwen om zo hun familie nieuw leven in te kunnen blazen. Maar MacMurrough kan zijn bewondering voor jongens niet onder stoelen en banken steken. Hij is echter niet de enige. Ook de priester Polycarpus buit zijn positie als onderwijzer en dienaar Gods uit en laat jongens achterblijven om samen met hen te bidden.

Jim is een ietwat naïeve jongen van 16 die de wereld nog moet ontdekken. Zijn vriendje Doyler is echter al wat meer gehaaid door de straat. Hij haalt uit het leven wat er te halen valt met de nodige bravoure. Niet alleen Doyler’s betrekkingen tot MacMurrough fascineren Jim, ook zijn politieke opstandige ideeën zetten de jonge Jim aan het denken. Voor Jim betekent Ierland zijn vriendschap met Doyler. Tenslotte kent hij alleen zijn vader, zijn tante, de winkel en de school waar pater Polycarpus hem probeert te strikken voor het priesterdom. Maar zoals Doyler Jim leert zwemmen in de zee, leert ook Jim zwemmen in de wereld. Langzaam groeit zijn omgeving en opent zijn horizon veel verder dan zijn vaders winkel.

’In zee, twee jongens’ is een fascinerende roman wiens golven in een gelijkmatig tempo blijven voortrollen, maar waarbij het tij langzaam stijgt.

Niet alleen de vertederende liefde tussen twee jongens en de trotse Ierse strijd trekken het verhaal. Net als James Joyce weet Jamie O’Neill de sfeer van Dublin en omgeving op meesterlijke wijze neer te zetten. Het gaat niet alleen over armoede en drank zoals in de succesroman ‘De as van mijn moeder’ van Frank McCourt. Dit boek gaat weliswaar over vervallen adel en kleine mensen die respect zoeken, het gaat ook over een wereld van kleine helden met hun idealen, die zichzelf uit de modder proberen te halen. Een liefdevol gevecht tegen de golven van de Ierse geschiedenis.

top

Zizo magazine

Jaargang 2002

Jamie O’Neill ontving voor ‘At Swim, Two Boys’ de vetste cheque ooit uitgeschreven door een Britse uitgeverij voor een manuscript van een debuterend auteur (driehonderdduizend pond!). Meteen na de verschijning regende het berichten over een verfilming en een reeks vertalingen (de Nederlandstalige editie is de eerste). Met al die tralala vooraf zou je gaan twijfelen of een roman dergelijke hoge verwachtingen ooit wel kan waarmaken. In het geval van ‘In zee, twee jongens’ kan je echter gerust zijn, een beter antidepressivum voor de wintermaanden zal je niet vinden.

De roman speelt in Dublin, anno 1915. Ierland ligt nog onder de knoet van de Kerk en de Britten. Jim wordt echter al te zeer in beslag genomen door school en boeken, doorzijn wereldvreemde Anglofiele vader en door Broeder Polycarp (die in hem een roeping en ontuchtige verlokkingen ziet) om zich veel zorgen te maken om de Grote Oorlog. Een nog groter invloed op hem is Doyler, een jonge rebelse lers-nationalist. De twee jongens hervatten de vriendschap uit hun kindertijd wanneer Doyler aanbiedt Jim te leren zwemmen. Weer of geen weer, elke dag gaan ze in hun nakie zwemmen in zee, maar zelfs het ijzige oceaanwater kan niet belemmeren dat zij ten prooi vallen aan verwarrende onrustgevoelens in de onderbuik.

MacMurrough, een heer van standing, weet waar dat soort lusten toe kunnen leiden. Hij keerde terug naar Ierland, na twee jaar dwangarbeid in een Engelse gevangenis (de roman alludeert herhaaldelijk op het onfortuinlijke lot van Oscar Wilde, een decennium eerder). MacMurrough en Doyler worden odd bedfellows en ook op Jim laat hij een oogje vallen. De roman bereikt een orgelpunt in de Ierse opstand van 1916, een haast tragikomisch mislukte burgerrevolte, maar vóór je daar aanbelandt, zit je gebeiteld met honderden pagina’s hoogwaardige maar speelse literatuur.

top